Het EPC overschat energieverbruik en remt de energietransitie af
Het Energieprestatiecertificaat (EPC) is uitgegroeid tot een kompas voor het woonbeleid, maar wijst het nog wel de juiste richting uit? Uit analyses blijkt dat de EPC-score het energieverbruik vaak aanzienlijk overschat. Daardoor kan het berekende energieverbruik meer dan tien keer hoger uitvallen dan het werkelijke verbruik. Dat ondermijnt niet alleen de rendabiliteit van energie-investeringen, maar dreigt ook de doorbraak van warmtepompen af te remmen.
Alex Van den Bossche is emeritus professor aan het Department of Electromechanical, Systems and Metal Engineering van de Universiteit Gent. Vanuit zijn expertise in energie- en elektrische systemen nam hij het EPC kritisch onder de loep.
Zijn analyse toont aan dat het EPC het energieverbruik van een woning overschat. Bij woningen met een warmtepomp kan het berekende EPC-verbruik zelfs meer dan tien keer hoger uitvallen dan het werkelijke verbruik op de teller.
Theoretisch energieverbruik vs verbruik in de praktijk
Het Energieprestatiecertificaat (EPC) is een van de belangrijkste instrumenten in het Belgische woonbeleid. Het bepaalt mee de waarde van een woning, beïnvloedt renovatieverplichtingen, subsidies en verhuurmogelijkheden, en moet eigenaars helpen om energie-efficiënte keuzes te maken. Maar wat als de theoretische berekening steeds verder afwijkt van de praktijk?
De aanleiding voor de analyse was een klein appartement in Brussel waar een defecte atmosferische gasketel vervangen moest worden. Herstel was niet langer mogelijk, omdat ook een aanpassing van de rookgasafvoer noodzakelijk zou zijn geweest.
Als alternatief werd gekozen voor een lucht-luchtwarmtepomp in de living. Die bleek in de praktijk perfect in staat om het appartement comfortabel te verwarmen. Het totale elektriciteitsverbruik bedroeg ongeveer 3.000 kWh per jaar, inclusief alle huishoudelijke toestellen.
Toen het EPC werd opgemaakt, volgde echter een verrassing. Het certificaat berekende een theoretisch energieverbruik van bijna 45.000 kWh per jaar. Dat is ongeveer vijftien keer hoger dan het werkelijke verbruik op de energieteller. Het appartement kreeg bovendien een G-label, de slechtste scorecategorie. Die vaststelling vormde het vertrekpunt voor een bredere analyse van de EPC-methodologie.
Redenen waarom het EPC het energieverbruik overschat
Het probleem lijkt niet bij één specifieke parameter te liggen, maar bij een opeenstapeling van aannames die systematisch in dezelfde richting wijzen: een overschatting van het energieverbruik.
Zo gaat het EPC ervan uit dat alle ruimtes permanent worden verwarmd tot een standaardtemperatuur. In werkelijkheid gebruiken bewoners hun woning veel flexibeler. Slaapkamers worden vaak koeler gehouden, sommige ruimtes worden nauwelijks verwarmd en bewoners passen hun gedrag aan de seizoenen aan.
Daarnaast wordt bij ontbrekende gegevens vaak gewerkt met ongunstige standaardwaarden voor isolatie, ventilatieverliezen en rendementen van verwarmingsinstallaties. Ook elementen zoals gordijnen, feitelijke luchtdichtheid, lokale warmtewinsten of het gebruik van specifieke ruimtes worden nauwelijks meegenomen.
Op zich lijkt elke afwijking beperkt. Maar wanneer tientallen kleine overschattingen samenkomen (25 in de analyse), ontstaat een groot verschil tussen theorie en praktijk. Dat blijkt ook uit onderzoek van UGent dat bevestigt dat EPC-scores slechts een beperkte voorspeller zijn van het werkelijke energieverbruik van woningen.
De primaire energiefactor van elektriciteit blijft een struikelblok
De meest fundamentele kritiek betreft echter de behandeling van elektriciteit. Binnen het EPC wordt één kWh elektriciteit omgerekend naar 2,5 kWh primaire energie. Wat neerkomt op een CO2-intensiteit van 500g CO2/kWh. Die factor stamt uit een periode waarin elektriciteit hoofdzakelijk werd geproduceerd in fossiele centrales met relatief lage rendementen.
Vandaag ziet de Belgische elektriciteitsmix er fundamenteel anders uit. Kernenergie, windenergie en zonne-energie nemen een belangrijk aandeel voor hun rekening, hierdoor ligt de CO2-uitstoot per geproduceerde kilowattuur aanzienlijk lager dan vroeger.
Die 500g CO2/kWh ligt ongeveer 3,5 x hoger dan de 138g CO2/kWh die Statista in 2023 berekende voor België en gevoelig hoger dan het huidige Europees gemiddelde van 300g CO2/kWh.
Toch blijft het EPC elektriciteit beoordelen alsof die grotendeels afkomstig zou zijn uit fossiele centrales.
Warmtepompen worden hierdoor benadeeld
Dat heeft rechtstreeks gevolgen voor warmtepompen. Een warmtepomp haalt een groot deel van haar energie uit de omgeving en gebruikt elektriciteit om die warmte bruikbaar te maken. Technologisch gezien is dit een van de meest efficiënte verwarmingsoplossingen die vandaag beschikbaar zijn.
Maar omdat het EPC elektriciteit zwaar penaliseert via de primaire energiefactor, vertaalt die efficiëntie zich onvoldoende in de eindscore.
Daardoor ontstaat een merkwaardige situatie: beleidsmakers willen gebouwen weg krijgen van fossiele brandstoffen, terwijl het beoordelingssysteem elektrische verwarmingssystemen minder aantrekkelijk maakt dan ze in werkelijkheid zijn.
Dat beïnvloedt niet alleen het energielabel, maar ook de berekende terugverdientijd van investeringen.
Vertekende terugverdientijden
Eigenaars baseren renovatiebeslissingen vaak op EPC-simulaties. Wanneer het uitgangsverbruik te hoog wordt ingeschat, lijken ook de potentiële besparingen groter dan ze werkelijk zijn.
Investeringen in isolatie, warmtepompen of andere energiemaatregelen kunnen daardoor op papier aantrekkelijker lijken dan ze in de praktijk blijken te zijn.
Een grondige energetische renovatie van het klein appartement uit de analyse kost al snel 30.000 euro (voor o.a. de warmtepomp, gevel-, dak- en kelderisolatie, aanpassing elektriciteit, dubbel glas, EPC-keuring), terwijl het werkelijke elektriciteitsverbruik in de onderzochte case slechts ongeveer 3.000 kWh per jaar in plaats van 45.000 kWh/jaar bedraagt.
Zelfs als die energiekost volledig zou wegvallen, loopt de terugverdientijd op tot ruim 30 jaar (volgens de EPC berekeningen zou dat al in een kleine 3 jaar zijn). Dat roept vragen op over de mate waarin EPC-simulaties de werkelijke besparingen weerspiegelen.
Dat is problematisch, omdat het EPC steeds vaker financiële en juridische gevolgen krijgt. Het bepaalt mee welke renovaties verwacht worden, welke subsidies beschikbaar zijn en in sommige gevallen zelfs of een woning nog verhuurd mag worden.
Om het EPC van het appartement te ‘verbloemen’, krijgt het appartement van de case dit jaar ook een lucht-waterwarmtepomp aan de achterzijde. De installatie vergt een investering van ongeveer 11.000 euro. Hoewel de warmtepomp in de praktijk vermoedelijk slechts beperkt zal draaien, zorgt ze wel voor een aanzienlijke verbetering van het EPC-resultaat.
Dat toont hoe eigenaars steeds vaker investeren om aan toekomstige EPC-vereisten te voldoen en om boetes te vermijden, eerder dan om substantiële energiebesparingen te realiseren.
Tijd voor een actualisering
Het EPC blijft een nuttig instrument om woningen onderling te vergelijken. Maar wanneer de afwijking tussen theorie en werkelijkheid te groot wordt, dreigt het systeem zijn geloofwaardigheid te verliezen.
Een actualisering van de primaire energiefactor voor elektriciteit lijkt daarbij een logische eerste stap. Verschillende Europese landen hebben die oefening inmiddels al gemaakt of zijn ermee bezig.
Frankrijk verlaagde die factor recent van 2,3 naar 1,9. Een verdere aanpassing richting 1,5 zou nog beter aansluiten bij de huidige elektriciteitsmix (zonder daarbij zuiver elektrisch verwarmen zonder warmtepomp te stimuleren). Zo krijgen warmtepompen een eerlijkere beoordeling binnen het EPC-systeem.
Daarnaast is er nood aan meer transparantie over de gebruikte EPC-aannames en aan een betere koppeling met werkelijke verbruiksgegevens. De digitale energiemeter biedt vandaag mogelijkheden die bij de ontwikkeling van het EPC nog niet bestonden.
Zo zou een verzameling van werkelijke energiefacturen een realistischer beeld geven van de energieprestatie van een woning dan een louter theoretische berekening. Mits correct gecorrigeerd voor gezinsgrootte, aanwezigheid en gebruikspatronen kan dit een waardevolle aanvulling vormen op het huidige EPC.
Ook de waardering van hernieuwbare energie verdient een herziening. Zonnepanelen hebben een relatief beperkte impact op de EPC-score, omdat hun opbrengst slechts met een factor 1 wordt verrekend tegenover een primaire energiebehoefte die vaak sterk wordt overschat. Thuisbatterijen, stekkerbatterijen en andere opslagoplossingen tellen zelfs helemaal niet mee, terwijl ze het eigen verbruik van lokaal opgewekte stroom aanzienlijk kunnen verhogen.
Lees de volledige analyse van prof. Alex Van den Bossche hier